Nieuws

07-04-2021

Vermindering onroerende voorheffing voor improductiviteit tijdens corona

Binnen de onroerende voorheffing bestaat al lang een regeling van vermindering wegens onvrijwillige improductiviteit van een handelszaak/industriegebouw/… De vermindering is proportioneel, in de zin dat ze wordt bepaald in verhouding tot het aantal maanden waarin het gebouw niet op nuttige wijze aangewend kon worden. Vraag is of men deze vermindering zou kunnen aanwenden omwille van gedwongen sluiting tijdens de lockdown. Daar bestaat niet altijd duidelijkheid over. Ondertussen is de kwestie ook in het Vlaams Parlement aan bod gekomen, naar aanleiding van een vraag van CD&V-parlementslid Robrecht Bothuyne.

Om voor de vermindering in aanmerking te komen moet het goed gedurende een gedeelte van het jaar leegstaan en geen inkomsten opbrengen.

Concreet moet het gaan om een periode van minstens 90 dagen improductiviteit tijdens het aanslagjaar. Die periode moet niet aaneensluitend zijn. Dat laatste is uiteraard in coronatijden cruciaal, aangezien in heel wat sectoren de eerste periode van lockdown geen 90 dagen duurde. Telt men er echter de gedwongen sluiting tijdens de tweede lockdown bij, dan overstijgt bijvoorbeeld de horeca maar zeker ook vele handelszaken de grens van 90 dagen.

 
Geen inkomsten

Een stukje onduidelijker is hoe de regeling gelezen moet worden op vlak van het stilvallen van de inkomsten. Wat immers in geval van de verhuur van het goed aan een huurder die er zijn handelszaak, onderneming, … heeft gevestigd? Dient de voorwaarde dan strikt gelezen te worden in functie van opschorting of kwijtschelding van de huurprijs gedurende een bepaalde termijn?

We weten dat zeker een aantal verhuurders zich in deze inschikkelijk hebben opgesteld. Zij lijken de meeste kans te maken om de improductiviteit te kunnen inroepen. Maar, toch rijst de vraag of het wegvallen van de inkomsten dan wel ‘onvrijwillig’ was. Net daarom adviseren fiscalisten aan verhuurders die niet noodzakelijk willen aandringen op de betaling van de huurprijs gedurende een bepaalde periode om niet expliciet een kwijtschelding toe te staan, doch eerder in wederzijds begrip kennis te nemen van de niet-betaling. Zo houden ze hun kansen op de vermindering gaaf. Maar, mogelijks verliezen ze dan uitzicht op de nieuw in te voeren federale belastingstimulans…

Andere moeilijkheid is het scenario waarbij de onroerende voorheffing in het huurcontract ten laste wordt gelegd van de huurder. Dat is dan een extra prestatie die de huurder op zich neemt binnen de huurrelatie. Maar, formeel blijft de verhuurder voor de onroerende voorheffing de belastingplichtige. Als de huurprijs gewoon verder wordt betaald ziet die laatste zijn inkomsten niet wegvallen, terwijl dat aan de zijde van de huurder door de gedwongen sluiting natuurlijk wel het geval is.

 
Gemeubileerd karakter

Laatste voorwaarde die aan het inroepen van de vermindering in de weg kan staan, is deze die zegt dat het goed niet gemeubileerd mag zijn. Letterlijk (https://www.vlaanderen.be/proportionele-vermindering-van-de-onroerende-voorheffing#q-improductiviteit-van-een-gebouwd-onroerend-goed-woning-bedrijfsgebouw): ‘Gemeubelde gebouwen of ongebouwde onroerende goederen (zoals gronden) komen dus niet in aanmerking.’

Deze voorwaarde sluit meteen heel wat situaties uit. Toch is belangrijk dat administratieve richtlijnen uit het verleden én de rechtspraak in deze enige soepelheid aan de dag leggen voor industriële, ambachtelijke en handelsgebouwen. Daarvoor wordt aanvaard dat er machines, gereedschappen en andere voorwerpen aanwezig mogen zijn, zolang die niet los gezien kunnen worden van de wijze waarop het gebouw normaliter aangewend wordt. Met andere woorden: er mogen enkel aan het gebruik gerelateerde voorwerpen terug te vinden zijn.

 
Huidige stand van zaken

Op basis van de samenloop van de bestaande voorwaarden lijkt het helaas niet mogelijk dat verhuurders, die als belastingplichtige gelden, en masse de proportionele vermindering zouden kunnen aanvragen. Tegelijkertijd staat vast dat er misschien wel meer mensen kans maken op de vermindering dan we heden denken. De vermindering voor improductiviteit is immers niet zo bekend.

Het helpt ook niet dat het vanuit VLABEL tot op heden windstil lijkt te blijven over enkele van de vragen die hierboven worden opgeworpen.

Nochtans zou de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing een (bredere) rol kunnen spelen als ondersteuningsinstrument ten tijde van corona. Dat is jammer, aangezien de doelstelling van het instrument (ondersteuning bij gedwongen sluiting gedurende minstens 90 dagen) in 2020 als nooit tevoren actueel is.

Vanuit dat perspectief kan het misschien net de moeite waarde zijn om VLABEL te dwingen tot een uitspraak. Met het indienen van een aanvraag heeft men immers niet zoveel te verliezen: ‘een neen heb je, een ja…’

Let wel, VLABEL hanteert altijd het motto: ‘pay first, talk later’. Je moet dus altijd het via het aanslagbiljet gevorderd bedrag betalen. Pas nadien kan je een bezwaarschrift indienen om beroep te proberen doen op de vermindering. Daarvoor heb je normaal drie maanden de tijd na de ontvangst van het aanslagbiljet.

 
Parlementaire vraag van Robrecht Bothuyne

Het is niet moeilijk te zien hoe de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing in coronatijden een extra ondersteuning zou kunnen bieden voor ondernemers in getroffen sectoren. Dat was ook de insteek van de parlementaire vraag van CD&V-er Robrecht Bothuyne, in de eerste plaats met het oog op de evenementensector, feestzalen en evenementenhallen. Van de minister wilde hij weten of deze maar ook andere sectoren effectief aan de voorwaarden voldoen (inzonderheid gezien het belang van het niet-gemeubileerd karakter. En, of er een uitbreiding kon zijn voor andere sectoren zoals de horeca.

De minister weigerde echter van zijn kant daar specifiek op in te gaan. Tussen de lijnen door lijkt de animo om de vermindering inzake onvrijwillige improductiviteit breder in te zetten als steunmaatregel tijdens corona beperkt. Zo antwoordt de minister dat de beoordeling of er voldaan is aan de opgelegde voorwaarden een feitenkwestie is die dossier per dossier wordt onderzocht: ‘Zij [de administratie] bekijkt wat de correcte gang van zaken is. De criteria liggen decretaal vast en kunnen zonder decretaal ingrijpen niet op een andere wijze worden beoordeeld louter vanwege de coronasituatie. Het gaat hier om feiten die gestaafd moeten worden met bewijsstukken.’

Aan de hand van enkele cijfers probeert minister Diependaele te staven dat de OV not the way to go is bij wijze van steunmaatregelen: ‘Ik heb in het antwoord op uw schriftelijke vraag ook cijfers opgenomen over de betaling van de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2020. Op het einde van 2020 was 90,22 percent betaald, eind 2019 was dat 91,14 percent. Dat is minder dan 1 percent verschil. Ik heb uiteraard geen gegevens per sector, maar als we enkel naar de rechtspersonen kijken dan blijkt dat er op het einde van het jaar slechts 2,6 percent minder betaald werd voor aanslagjaar 2020 in vergelijking met aanslagjaar 2019. Er zijn wel iets meer aanvragen voor een afbetalingsplan, maar ook dat verschil is beperkt. Het gaat om 0,22 percent van de aanslagbiljetten voor aanslagjaar 2019 versus 0,33 percent voor 2020. In absolute cijfers gaat het om 412 aanvragen in 2019 en 663 aanvragen in 2020. We zijn ons er zeer goed van bewust dat de problemen in de evenementensector groot zijn, maar ik denk dus niet dat de onroerende voorheffing het grootste struikelblok is.’

De minister kaatst in zijn antwoord eigenlijk volledig de bal terug door aan te geven dat een aanpassing van de voorwaarden pas kan mits wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Daarvoor is een decretaal initiatief vereist, waarvoor hij alvast niet zelf het heft in handen lijkt te willen nemen. Daarnaast geeft de minister aan de andere ondersteuningsmechanismes die voor corona zijn uitgedacht ‘effectiever zijn om deze sectoren de nodige ademruimte te geven’.

Voor meer informatie en verduidelijking verwijst de minister naar de website van de Vlaamse overheid.

Wie hoopte dat met de parlementaire vraag en het antwoord van minister Diependaele daarop duidelijkheid zou zijn gebracht blijft teleurgesteld achter. Evenzeer op vlak van extra steun overigens voor getroffen sectoren. Nochtans zou een vermindering van de verschuldigde OV toch weer een stuk schelen in de vaste kosten. Enige wat daarvoor vereist is, zou zijn om de voorwaarde inzake het gemeubileerd karakter tijdelijk wat coulanter te bekijken. Quod non helaas, tenzij er alsnog een decretaal initiatief vanuit het parlement zou volgen.

Bron: VOU nr. 2086 van dhr. Robrecht Bothuyne (via CIB)